Als je een waxinekaarsje aan steekt en er een glas overheen zet, zal het kaarsje uit gaan. Als je dat waxinekaarsje laat drijven op water terwijl je er het glas er overheen zet, zal het water in het glas stijgen. Op het internet zwerven er verschillende verklaringen voor dit fenomeen rond.
Het kaarsje verbruikt zuurstof, waardoor er een vacuüm ontstaat en het water omhoog wordt gezogen.
Het kaarsje verwarmt de lucht in het glas, waardoor de lucht uitzet. Wanneer de kaars dooft koelt de lucht af waardoor de druk afneemt en er water omhoog wordt gezogen.
Bij het verbranden van de kaars ontstaan er waterdamp en koolstofdioxide. De waterdamp condenseert aan de binnenkant van het glas, waardoor er minder gas in het glas is en de druk afneemt. Hierdoor wordt het water omhoog gezogen.
Om te onderzoeken welke verklaring het meest waarschijnlijk is voor het fenomeen dat het water in het glas stijgt, is er een proefopstelling gebruikt.
Deze proefopstelling bestaat uit een maatbeker van 600 ml, waxinekaarsjes, petrischaaltje, aansteker en water.
Om te beginnen is de petrischaal gevuld tot de rand met water. Vervolgens is er 1 waxinekaarsje rustig ingelegt om te drijven en is deze aangestoken met de aansteker. Als het waxinekaarsje eenmaal brandt, word de maatbeker rustig over het waxinekaarsje heen gezet.
Hierbij werd waargenomen dat het volume in de maatbeker met ongeveer 20 ml water steeg.
Vervolgens is hetzelfde proces opnieuw uitgevoerd, maar ditmaal met 2 waxinekaarsjes. Dus in plaats van dat er 1 waxinekaarsje onder de maatbaker zat, waren het ditmaal twee brandende waxinekaarsjes.
Hierbij werd waargenomen dat het volume in de maatbeker met meer dan 50 ml steeg.
Aangezien in beide proeven dezelfde maatbeker is gebruikt, kan geconcludeerd worden dat de maatbeker bij beide proeven hetzelfde hoeveelheid volume heeft. Als gevolg hiervan kan ook geconcludeerd worden dat er in beide proeven evenveel zuurstof aanwezig was.
Tijdens het aansteken van de waxinekaarsjes reageert zuurstof samen met koolstof uit de kaars tot koolstofdioxide en waterdamp. De waxinekaars(en) gaan uiteindelijk uit, dat betekent dat al het zuurstof verbruikt is. In deze proef is de hoeveelheid zuurstof dus de limited factor.
Bij zowel de eerste verklaring als de laatste verklaring zou het water evenveel moeten stijgen, onafhankelijk van het gebruik van 1 of 2 waxinekaarsjes. Alleen zou het water sneller stijgen bij het gebruik van twee waxinekaarsjes.
Aangezien er duidelijk verschil werd waargenomen met 1 of 2 waxinekaarsjes, zijn verklaring 1 en 3 daardoor niet waarschijnlijk.
Echter, past verklaring 2 wel bij het fenomeen van het stijgende water.
Twee waxinekaarsjes betekent namelijk ook meer warmte en dus ook een groter drukverschil, wat resulteert in een hogere stijging van water.
Kortom, verklaring 2 is het meest aannemelijk.